Het kabinet wil de 2e schijf in box 2 per 2025 verlagen van 33% naar 31%. Aanmerkelijkbelanghouders betalen dan 31% inkomstenbelasting voor zover het inkomen uit aanmerkelijk belang hoger is dan € 67.804. Tot een inkomen in box 2 van € 67.804 blijft het tarief 24,5%.
Met deze maatregel wil het kabinet ervoor zorgen dat er meer evenwicht is tussen de belastingtarieven voor aanmerkelijkbelanghouders, ondernemers met bijvoorbeeld een eenmanszaak en werknemers. Meer evenwicht in de belastingtarieven voorkomt fiscaal gedreven gedrag en zorgt ervoor dat ondernemers een rechtsvorm kunnen kiezen die het beste bij de onderneming past.
Op 1 januari 2025 gaat de Belastingdienst volledig handhaven op schijnzelfstandigheid. Bedrijven en organisaties die mensen als zzp’er inhuren voor werk dat zij niet zelfstandig uitvoeren, kunnen dan weer een boete en naheffingen krijgen. Daarbij geldt een overgangsperiode van 1 jaar waarin werkgevers en werkenden nog geen vergrijpboete krijgen als zij kunnen bewijzen dat zij stappen zetten tegen schijnzelfstandigheid. De opheffing van het handhavingsmoratorium is een van de maatregelen die het kabinet neemt om schijnconstructies te bestrijden en draagt bij aan meer zekerheid op de arbeidsmarkt.
Staatssecretaris Idsinga (Fiscaliteit en Belastingdienst): “Zelfstandige ondernemers leveren in Nederland een belangrijke bijdrage aan onze economie. En dat blijft zo. Als je echt een ondernemer bent en zelfstandig werkt kun je dat gewoon blijven doen. Maar de inzet van schijnzelfstandigen leidt wel tot oneerlijke concurrentie en ongelijke arbeidsvoorwaarden. Het kabinet wil deze balans op de arbeidsmarkt herstellen. De opheffing van het handhavingsmoratorium is een van de maatregelen om dit te bereiken. Hoewel veel bedrijven en zzp’ers zich druk aan het voorbereiden zijn op de handhaving vanaf 1 januari 2025 ben ik mij er ook van bewust dat de aanpassingen veel van hen vragen. Daarom krijgen bedrijven die kunnen aantonen dat zij aan de slag zijn met het tegengaan van schijnzelfstandigheid volgend jaar nog geen vergrijpboetes.”
Ook neemt het kabinet stappen om de positie van mensen op de arbeidsmarkt te verbeteren, onder andere door de verschillende wetsvoorstellen in het arbeidsmarktpakket. Het kabinet vindt het daarnaast belangrijk dat naast handhaving ook de verschillende arbeidscontractvormen gelijker worden getrokken. Hiervoor worden eerder aangekondigde maatregelen verder uitgewerkt, zoals de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen en de (versnelde) afbouw van de zelfstandigenaftrek.
Meer duidelijkheid en hulp
Het kabinet neemt dit besluit nu ook omdat vanuit de markt is gevraagd om duidelijkheid over het opheffen van het handhavingsmoratorium, zodat men zich hierop kan voorbereiden. Er zijn veel bedrijven en organisaties die hun bedrijfsvoering al hebben aangepast. Met het opheffen van het moratorium neemt de rechtvaardigheid richting deze ondernemers ook toe.
In de praktijk betekent het opheffen van het handhavingsmoratorium dat de Belastingdienst tijdens controles naheffingen kan opleggen als er binnen bedrijven en organisaties sprake is van schijnzelfstandigheid. Wanneer een bedrijf of organisatie niet aan de regels voldoet kan een naheffing tot maximaal 5 jaar terug worden opgelegd. De Belastingdienst kan alleen met terugwerkende kracht corrigeren tot 1 januari 2025, de datum van de opheffing.
Om de arbeidsmarkt voor te bereiden op de opheffing van het handhavingsmoratorium blijft de Belastingdienst in aanloop naar 1 januari 2025 opdrachtgevers en zzp’ers voorzien van informatie en praktische hulp. Zo zoekt de Belastingdienst actief de samenwerking op met de markt om zoveel mogelijk onrust weg te nemen. Dit wordt de komende maanden via informatiesessies, webinars en bedrijfsgesprekken voortgezet. Ook blijft de Belastingdienst in gesprek gaan met onder andere koepels, brancheorganisaties en fiscaal dienstverleners.
Modelovereenkomsten
Het kabinet maakt ook bekend dat er geen modelovereenkomsten meer door de Belastingdienst worden goedgekeurd. Het gebruik van dergelijke modelovereenkomsten is niet langer houdbaar, omdat modelovereenkomsten geen zekerheid vooraf kunnen geven over het werken buiten dienstverband. Dit hangt namelijk af van hoe er in de praktijk wordt gewerkt, niet van wat er in een contract staat. De lopende modelovereenkomsten worden nog wel geëerbiedigd tot de einddatum van de overeenkomst.
Nederland wil in 2030 2 miljard kuub groen gas produceren. Dit kan bijvoorbeeld door dierlijke mest te ‘vergisten’, een manier om duurzaam gas uit mest te halen. De komende jaren verwachten we daarom meer vergunningaanvragen voor monomestvergisters op boerderijen. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) ontwikkelde een handreiking voor vergunningverleners van overheden.
Minder afhankelijk van import gas
Groen gas is een duurzaam alternatief voor aardgas. Vervanging van aardgas door groen gas verlaagt de uitstoot van CO2 en draagt zo bij aan de klimaatdoelstellingen van Nederland. Bovendien is Nederland minder afhankelijk van de import van fossiele energie als we zelf groen gas produceren.
Met het Programma Groen Gas wil de Nederlandse overheid de productie van groen gas in Nederland dan ook vergroten tot 2 miljard m3. Met de vergisting van mest halen we ongeveer 50% van die doelstelling (1 miljard m3 groen gas).
Groen gas uit mest
Mest is als reststof een van de bronnen waaruit groen gas te maken is, door de mest te 'vergisten'. Bij dagontmesting wordt de mest uit de stal zo snel mogelijk vergist. Zo komen minder ammoniak en methaan vrij in de stal.
Financieel interessant voor veehouders
Kleinschalige monomestvergisting op boerderijen is ook financieel interessanter voor veehouders. In 2024 is een extra subsidiemogelijkheid opgenomen voor deze vergisters (met meer dan 110 kW vermogen) in de subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++). RVO verwacht dat dit zorgt voor nog meer vergistingsinstallaties op de boerderij. Ook werkt het kabinet aan een bijmengverplichting voor groen gas in het aardgasnet.
Nieuwe regelgeving
De komende jaren verwachten we dan ook meer vergunningaanvragen voor monovergisting van mest op boerderijen. Maar het vergunningstraject hiervoor is lang. Ook veranderde de invoering van de nieuwe Omgevingswet (sinds 1 januari 2024) de regels voor vergunningen voor groen gasproductie-installaties flink.
Vergunningverlening makkelijker en sneller
In de handreiking van RVO staan de actuele regels over (het verlenen van) vergunningen voor kleinschalige monovergisting van mest. De handreiking helpt vergunningverleners bij gemeenten, provincies en omgevingsdiensten in hun werkzaamheden. Om zo de vergunningverlening makkelijker te maken.
Handvatten voor toezichthouders, adviseurs en ondernemers
Naast vergunningverleners bij overheden biedt de handreiking ook handvatten voor:
Toezichthouders (onafhankelijke inspecteurs/handhavers) die controleren of de vergisters volgens de vergunning zijn gebouwd en werken.
Adviseurs die namens een veehouder de vergunningaanvraag voor mestvergistingsinstallaties begeleiden.
Ondernemers die mestvergistingsprojecten ontwikkelen.
Bijna 29 procent van de ondernemers ziet de steeds hogere werkdruk onder het personeel nog altijd als belangrijkste gevolg van een tekort aan personeel. Ook hebben de meeste ondernemers nog steeds moeite om personeel te vinden. Wel ervaren iets minder ondernemers echt een personeelstekort vergeleken met een jaar geleden. Dit meldt het CBS op basis van de Conjunctuurenquête Nederland van juli 2024, die wordt gehouden in samenwerking met KVK, EIB, MKB-Nederland en VNO-NCW.
In bijna alle bedrijfstakken geven minder ondernemers een verhoogde werkdruk onder het personeel aan als belangrijkste gevolg van een personeelstekort vergeleken met een jaar geleden. Alleen in de landbouw, bosbouw en visserij is dit iets gestegen. Ondernemers in de detailhandel geven een hogere werkdruk het meest aan, ruim 43 procent. In de horeca en de informatie en communicatie ervaren ondernemers het vaakst gestegen arbeidskosten. Vooral in de delfstoffenwinning, de autohandel en –reparatie en de bouwnijverheid hebben ondernemers vaker te maken met gestegen arbeidskosten dan een jaar geleden. Iets meer dan 13 procent van de ondernemers neemt minder geschikt personeel aan. Dit geldt in verhouding vaak voor ondernemers in de bouwnijverheid en de horeca.
Verschillende belemmeringen bij het vinden van personeel
Bij het vinden van personeel ervaren bedrijven verschillende belemmeringen. De meeste ondernemers (23 procent) geven aan dat het aantal werkzoekenden beperkt is, vooral in de bouwnijverheid en de vervoer en opslag. Ruim 17 procent ziet een gebrek aan gekwalificeerde mensen. Ondernemers in de autohandel en –reparatie (30 procent) en de industrie (26 procent) lopen hier vaker tegen aan. 12 procent van de bedrijven geeft aan dat potentiële arbeidskrachten hogere eisen stellen dan ze kunnen of willen bieden. Dit speelt in verhouding vaak binnen de delfstoffenwinning en de informatie en communicatie. Ondernemers in de landbouw, bosbouw en visserij en de vervoer en opslag geven het vaakst aan dat mogelijke arbeidskrachten meer voor werk buiten hun sector kiezen.
Iets minder ondernemers ervaren een personeelstekort
Ruim 71 procent van de ondernemers ervaart een tekort aan arbeidskrachten aan het begin van het derde kwartaal. Dat is iets minder dan een jaar eerder toen ruim 75 procent hiermee te maken had. In 2022 lag dit aandeel nog op ruim 84 procent. In de meeste bedrijfstakken zijn er minder ondernemers die een personeelstekort ervaren dan een jaar geleden. In de horeca en detailhandel is dit het meest gedaald: van ongeveer 85 procent naar ruim 69 procent. In de autohandel en -reparatie en de vervoer en opslag ervaart bijna 82 procent van de ondernemers een tekort aan personeel, ongeveer evenveel als een jaar eerder. Alleen in de bouwnijverheid hebben meer ondernemers last van een personeelstekort dan in 2023.
Ondernemers geven in de Conjunctuurenquête ook aan wat de belangrijkste belemmering is in de bedrijfsvoering. Aan het begin van het derde kwartaal van 2022 bereikte het tekort aan arbeidskrachten als belangrijkste belemmering een piek met bijna 48 procent. Vervolgens nam het geleidelijk af tot ruim 35 procent aan het begin van het derde kwartaal van 2024. Wel is het nog steeds de meest genoemde belemmering door ondernemers.
De ministerraad heeft op voorstel van minister Van Weel van Justitie en Veiligheid ingestemd met toezending van het evaluatierapport ISIDOOR IV aan de Tweede Kamer. In dit rapport deelt het COT (Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement) conclusies en aanbevelingen over de vierde editie van ISIDOOR, de landelijke cyberoefening die in november vorig jaar is georganiseerd door het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). Tijdens ISIDOOR oefenen publiek en private organisaties samen hoe te reageren op een cyberaanval. De vierde editie telde 120 deelnemende organisaties en meer dan 3000 individuele deelnemers.
Conclusies en aanbevelingen
Een van de conclusies van het COT is dat er zichtbaar is geleerd van voorgaande ISIDOOR oefeningen. Waar tijdens ISIDOOR III ‘vertraagde informatiedeling’ tussen de betrokken partijen als belemmerende factor werd gezien, is nu tijdens ISIDOOR IV meer informatie op een duidelijke en directe manier gedeeld met getroffen partijen. Uiteraard zijn er ook aanbevelingen gedaan, zoals:
Opschaling naar de landelijke crisisstructuur is voor deelnemende organisaties soms nog nieuw en onbekend. Er zijn vragen over wat de nationale opschaling voor de rollen en verantwoordelijkheden betekent.
Er is een groot verschil in de mate waarin organisaties zelf zijn voorbereid op cybercrises. Het zou voor nationale weerbaarheid daarom goed zijn als de partijen met een achterstand prioriteit geven aan hun eigen voorbereiding.
Zorg voor meer bekendheid van de Wbni-criteria en de meldingsprocedure.
Minister Van Weel van Justitie en Veiligheid: “Met elkaar oefenen en om leren gaan met een cybercrisis maakt ons land weerbaarder. De lessen die uit ISIDOOR worden getrokken nemen we mee naar de praktijk en naar volgende oefeningen. Het is belangrijk voor alle bedrijven en organisaties om goed voorbereid te zijn op een (cyber)crisis. Wacht dan ook niet om je organisatie weerbaar te maken, maar begin er vandaag nog mee!”
Over ISIDOOR
Tijdens ISIDOOR worden afspraken, structuren en processen uit het Landelijk Crisisplan Digitaal (LCP-Digitaal) geoefend. Het NSCS vervult hierbij een operationeel coördinerende rol. Deelnemers zijn organisaties die een rol hebben tijdens of betrokken zijn bij een (dreigende) digitale crisis. De focus ligt op het beoefenen van informatie-uitwisseling, het oefenen van de nationale opschalingsstructuur en het versterken van de onderlinge samenwerking tussen vitale en Rijksoverheid organisaties. Door gezamenlijk te oefenen leren alle betrokken partijen elkaar steeds beter kennen, zijn rollen en verantwoordelijkheden bekend en wordt er dus steeds beter samengewerkt. Deelnemende organisaties beoefenen ook hun eigen crisisstructuren.